|
‘Vooral boeiend als ik een leerling later weer tegenkom’
In de lijst van docenten die het lespakket van Denka gebruiken, valt één naam op Jaap van der Zwan van het Groenhorstcollege. Veelgebruiker van het lespakket Ongediertebestrijding op het Rundveehouderijbedrijf. Ik vraag hem of hij mee wil werken aan de herziening van het lespakket. Typerend voor Jaap gaat hij daar gretig op in. Een mooie gelegenheid voor een interview met een bijzonder man.
Over zijn docentschap zegt hij: ‘Soms is het benauwend voor jezelf hoe je een voorbeeld bent in het onderwijs. Hoe ze naar je kijken. En dat betekent dat je dus ook heel veel kwijt kunt over hoe je in het leven staat, wat je belangrijk vindt. Ik hou van een open relatie. Van elkaar de waarheid zeggen als het moet. Dan stel ik mezelf ook kwetsbaar op. Waar ben je goed mee bezig? Waar zou je aan moeten werken?’ Van der Zwan vindt dat je in het onderwijs een band moet hebben met leerlingen. Er moet een wij-gevoel ontstaan, samen sta je voor die klus.
 Veehouderijonderwijs blijft uitdagen
Hij is een sociaal mens. Leraar werd hij op aanwijzing van zijn favoriete docent, Arie van Oostveen. Die zei tegen hem: jij moet niet in de commerciële hoek. Inmiddels staat hij 30 jaar voor de klas waarvan 25 op hetzelfde instituut. En hij vindt het nog steeds leuk. De ontwikkelingen in de veehouderijsector gaan snel. Het is nooit standaard, zoals bij wiskunde of Engels. En hij is veel buiten de deur, dat houdt het aantrekkelijk en levendig.
‘Je moet die praktijk ook goed kennen, hoor, want anders dan pruimen ze je niet’, betoogt Jaap. ‘Leerlingen moeten het gevoel hebben dat je zelf ook met je poten in de stront hebt gestaan. En dat heb ik ook daadwerkelijk. Vroeger ging ik in mijn vrije tijd bij boeren werken. Nu melk ik nog wel eens links of rechts. Verder lees ik de vakbladen en bezoek vergaderingen om up-to-date te blijven. Ik kom op de stagebedrijven, geef cursussen in het volwassenenonderwijs aan boeren, en de contacten met het bedrijfsleven waar wij ook stages organiseren, vind ik ook machtig interessant.’
 Lesgeven is echt geven om leerlingen
Het belangrijkste van lesgeven vindt van der Zwan dat hij jongelui zo goed mogelijk voorbereidt op het beroep dat ze later gaan uitoefenen. Eén derde van zijn leerlingen wordt daadwerkelijk boer, één derde gaat in de periferie van de veehouderij werken en één derde leert door. Dat laatste is ook zijn devies: als je de kans hebt, én de brains, én je kunt het financieel voor elkaar krijgen, studeer dan zo hoog mogelijk. Werken kun je altijd nog. In een andere opleiding doe je ook qua algemene vorming weer zoveel op, dat is levenswijsheid die je nooit meer kwijtraakt.
Vol trots vertelt hij over een oud-leerling die tegenwoordig in Frankrijk voor zichzelf boert. Op zijn indicatie, want ‘Frankrijk is een beetje mijn land’, zegt van der Zwan. Toentertijd maakte hij zich veel zorgen over deze jongen. Brutaal en ongemotiveerd. De directeur wilde hem van school trappen. Maar Jaap zag wel wat in deze jongen. Er was een klik. Op zijn voorspraak kreeg de knaap nog één kans van de directeur. En hij heeft zich waargemaakt, eerst in Nederland als bedrijfsleider, en nu in Frankrijk met een eigen bedrijf. Leraar en leerling zijn vandaag de dag vrienden. ‘Als ik in Frankrijk ben, en ik ben niet langs geweest, dan is hij zwaar beledigd.’
Het is niet verwonderlijk dat Jaap van der Zwan graag om zich heen kijkt. En reislustig is. ‘Ik kan het niet laten, waar ik ook kom, om altijd naar die landbouw te kijken en dan probeer ik daar contacten te leggen. Mijn vrouw heb ik daarin meegesleept. Die vindt het ook prachtig om in Frankrijk op een boerencamping het verhaal van die boer aan te horen.’
Jaap van der Zwan zou het niet verbazen als zijn vrouw en hij er over 10 jaar wonen. En ons ook niet, zeker niet zolang hij ook daar oud-leerlingen tegenkomt.
|